28. Broodje van Daantje

De trein vertrekt. Een meneer en een jongetje stappen de coupé in. Het jongetje gaat niet meteen zitten op de enige vrije plaats, naast mij¸ en dreint het bekende versje:

– Ik wil aan het raam zitten.

De vader wijst hem terecht.

– Vandaag niet, Daan.

Het knaapje laat de hand waarin hij een broodje met ham houdt, zakken. Ik zou geen cent geven voor wat hij op dit moment van mij denkt, zijnde de enige die hem de toegang tot die gewenste plaats blokkeert, want tegenover mij zit een oudere dame. Een traan welt in zijn oogjes op (of was die er bij het binnenkomen al, om iets anders? – ik weet het niet).

Nog steeds wat huilerig, houdt hij aan.

– Ik wil dáár zitten – de kleine ruimte tussen mijn rechterbeen en de zijkant van de trein aanwijzend. De vader verzoekt hem om niet aan te dringen, en Daantje  moppert:

– Van mammie mag ik altijd aan het raam zitten.

Maar pappie maakt duidelijk dat hij mammie niet is, en probeert hem af te leiden.

– Waarom trek je jack niet uit?

– Wil ik niet.

– Ga rechtop zitten, Daan.

– Wil ik ook niet.

– Ga dan slapen.

– Ik héb geen slaap.

Ik veins niets te hebben gehoord, en richt mijn ogen op mijn boek, maar denk aan de situatie. Ik reis ook bij voorkeur bij het raam. Maar mijn redenen zijn misschien niet zo belangrijk als die van hem. Waarom zou ik hem dat plezier niet gunnen?

Ik bied het hem aan met een grapje.

– Als je mij de ham van je broodje geeft, mag je hier zitten.

Daantje kijkt me wantrouwig aan, schudt z’n hoofd; de andere hand neemt het broodje over, voor alle zekerheid. Ik zeg tegen de vader:

– Zullen we van plaats ruilen? Mij maakt het niets uit, hoor.

Maar de man slaat mijn aanbod af; hij vindt dat de jongen moet leren dat hij niet altijd kan rekenen om een plaats bij het raam. Ik geef hem gelijk en duik weer in mijn lectuur, blij dat ik mijn goede wil heb getoond.

Daantje hoort ons stomverbaasd aan. Wat is dit nou? Hier hebben we een vriendelijke meneer die mij zijn plaats bij het raam aanbiedt, en mijn pappa zegt nee! Wat een domme vader heb ik toch!

Wanneer hij merkt dat hij toch niets meer kan bereiken, neemt zijn verzet af.  Hij neemt een hap van zijn bijna vergeten kadetje, en met zijn vier jaartjes – áls hij die al heeft – vuurt hij al kauwend nieuwsgierige vragen af.

-Waarom beweegt de trein zoveel? —– Wat zijn rails? —– Hoe steekt een trein een rivier over? —– Gaat die brug niet kapot?

Waarschijnlijk heeft die domme vader ons met zijn kalmte een fikse huilbui bespaard. Daan is nog even stil, maar de grote wens laat hem niet los en ineens valt hij weer aan:

– Pappa, wanneer gaat die meneer uitstappen?

Ik doe alsof ik iets in mijn broekzak zoek, en draai me naar het raam opdat hij me niet zal zien glimlachen. De slimme vraag verdient een premie, maar ik kan de vader natuurlijk niet negeren; deze antwoordt overdrijvend:

– Oeffff….. over héél veel stations.

Natuurlijk wil Daantje weten hoeveel dan wel; mijn antwoord overtuigt hem ervan dat het er inderdaad een heleboel zijn. Hij neemt nog een hap die de ham bijna buiten het broodje duwt, en dut alsnog in.

Wanneer ik een handje tegen mijn been voel, besef ik dat ham en mayonnaise een vlek op mijn pantalon hebben achtergelaten. De twee zijn op hun bestemming aangekomen; de vader neemt vriendelijk afscheid. Daantje niet, maar in het gangpad draait hij zich om en biedt mij de rest van het broodje aan, stevig in zijn knuistje gekneld.

 ~   ~   ~

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s