29. Parkeerverbod voor Schroot?

Parkeerverboden moeten er zijn. Een keer was ik in een stadje voor een gemeente-formaliteit. Deze reden is voor mijn verhaaltje volstrekt onbetekend, maar ik vermeld hem om de vraag te vermijden wat ik daar deed. Ik liet ik m’n auto staan aan een straat met weinig verkeer. Maar toen ik terugkwam, stond hij er niet meer. Gelukkig verdween de schrik van een diefstal toen ik te weten kwam dat hij was versleept. Ik had vastgesteld dat er geen parkeerbord stond, dus meldde ik me verontwaardigd bij het aangewezen loket. Inderdaad bleek er geen verticale parkeerbeperking te staan, maar wel was er een horizontale aanwijzing, namelijk een geel geverfde trottoirband, die ik blijkbaar niet had opgemerkt. O nee? Tja, niet zien en niet weten kunnen geld kosten; er zat dus weinig anders op dan de boete en de sleepkosten te betalen.

Jaren later, en wel vorige week, ontving ik een boetebon voor een soortgelijke fout,  die ik kortgeleden zou hebben begaan. Er was geen foto bij, of beschikbaar gesteld, en de opgegeven reden luidde: geparkeerd op een verboden plaats/of op onjuiste wijze. De plek was een mij bekende straat, en GoogleMaps bevestigde dat het huisnummer bestaat.

Echter, aan die straat heb ik niets te zoeken; bovendien ben ik in die buurt jarenlang niet geweest.  Het merk van de auto was niet vermeld, maar ik herkende de nummerplaat als die van een wagen die op mijn naam had gestaan. Bij traag werkende officiële instellingen kan de statusverandering van een vehikel wel eens lang duren, en in geval van een verkoop komt het wel eens voor dat de vorige eigenaar een boetebon ontvangt voor een overtreding van de nieuwe bezitter. Gewoonlijk wordt zo’n verschil snel opgelost met een telefoontje – tegenwoordig ook wel met een e-mail, sms of whatsapp.

In mijn geval was dat niet zo gemakkelijk, want wat is nu het geval? De bewuste auto had ik een keer uitgeleend aan een familielid, die er wel eens vaker gebruik van maakte. De laatste keer kwam hij om een uur of vijf in de ochtend terug van een feestje. Hij had niet gedronken, dat was duidelijk, maar hij had zijn slaperigheid onderschat en was hardhandig in een berm beland. Zonder een schram of buil – de veiligheidsriemen en airbags hadden hun taak vervuld, en andere weggebruikers waren er op dat moment niet – maar de auto bleek een total loss te zijn (door de verzekering netjes vergoed). Dat is twee jaar geleden gebeurd, en de vermeende misstap zou twee maanden geleden zijn gemaakt!

Hier klopt dus iets niet – zoals de hartspecialist mompelde. Het kentekennummer is ofwel verkeerd overgenomen, ofwel het is correct en dan is er waarschijnlijk sprake van een vervalsing. Nu kan ik dus wel aantonen dat de gesignaleerde auto niet meer circuleert, maar daarvoor moet ik voor de kantonrechter verschijnen. Wij wonen op circa 45 km van de binnenstad; de voor ons aangewezen reismethode is met de auto, hetgeen ons de helft zou kosten van het boetebedrag. Behalve minstens drie uren kostbare tijd, brandstof, tolgelden en een parkeergarage [nuttig om een tweede, échte, boete te vermijden, ha ha]. Toen ik hoorde van de mogelijkheid dat de rechter een geauthenticeerde kopie van een bewijsstuk zou kunnen verlangen,  berekende ik een tijdwinst van zes uren als ik zonder meer de opgelegde betaling rechtstreeks zou regelen. Waarvoor ik inmiddels heb gezorgd.

Toch wel amusant, zo’n spontane erkenning van een theoretisch onbestaanbare fout!

.-

 

28. Broodje van Daantje

De trein vertrekt. Een meneer en een jongetje stappen de coupé in. Het jongetje gaat niet meteen zitten op de enige vrije plaats, naast mij¸ en dreint het bekende versje:

– Ik wil aan het raam zitten.

De vader wijst hem terecht.

– Vandaag niet, Daan.

Het knaapje laat de hand waarin hij een broodje met ham houdt, zakken. Ik zou geen cent geven voor wat hij op dit moment van mij denkt, zijnde de enige die hem de toegang tot die gewenste plaats blokkeert, want tegenover mij zit een oudere dame. Een traan welt in zijn oogjes op (of was die er bij het binnenkomen al, om iets anders? – ik weet het niet).

Nog steeds wat huilerig, houdt hij aan.

– Ik wil dáár zitten – de kleine ruimte tussen mijn rechterbeen en de zijkant van de trein aanwijzend. De vader verzoekt hem om niet aan te dringen, en Daantje  moppert:

– Van mammie mag ik altijd aan het raam zitten.

Maar pappie maakt duidelijk dat hij mammie niet is, en probeert hem af te leiden.

– Waarom trek je jack niet uit?

– Wil ik niet.

– Ga rechtop zitten, Daan.

– Wil ik ook niet.

– Ga dan slapen.

– Ik héb geen slaap.

Ik veins niets te hebben gehoord, en richt mijn ogen op mijn boek, maar denk aan de situatie. Ik reis ook bij voorkeur bij het raam. Maar mijn redenen zijn misschien niet zo belangrijk als die van hem. Waarom zou ik hem dat plezier niet gunnen?

Ik bied het hem aan met een grapje.

– Als je mij de ham van je broodje geeft, mag je hier zitten.

Daantje kijkt me wantrouwig aan, schudt z’n hoofd; de andere hand neemt het broodje over, voor alle zekerheid. Ik zeg tegen de vader:

– Zullen we van plaats ruilen? Mij maakt het niets uit, hoor.

Maar de man slaat mijn aanbod af; hij vindt dat de jongen moet leren dat hij niet altijd kan rekenen om een plaats bij het raam. Ik geef hem gelijk en duik weer in mijn lectuur, blij dat ik mijn goede wil heb getoond.

Daantje hoort ons stomverbaasd aan. Wat is dit nou? Hier hebben we een vriendelijke meneer die mij zijn plaats bij het raam aanbiedt, en mijn pappa zegt nee! Wat een domme vader heb ik toch!

Wanneer hij merkt dat hij toch niets meer kan bereiken, neemt zijn verzet af.  Hij neemt een hap van zijn bijna vergeten kadetje, en met zijn vier jaartjes – áls hij die al heeft – vuurt hij al kauwend nieuwsgierige vragen af.

-Waarom beweegt de trein zoveel? —– Wat zijn rails? —– Hoe steekt een trein een rivier over? —– Gaat die brug niet kapot?

Waarschijnlijk heeft die domme vader ons met zijn kalmte een fikse huilbui bespaard. Daan is nog even stil, maar de grote wens laat hem niet los en ineens valt hij weer aan:

– Pappa, wanneer gaat die meneer uitstappen?

Ik doe alsof ik iets in mijn broekzak zoek, en draai me naar het raam opdat hij me niet zal zien glimlachen. De slimme vraag verdient een premie, maar ik kan de vader natuurlijk niet negeren; deze antwoordt overdrijvend:

– Oeffff….. over héél veel stations.

Natuurlijk wil Daantje weten hoeveel dan wel; mijn antwoord overtuigt hem ervan dat het er inderdaad een heleboel zijn. Hij neemt nog een hap die de ham bijna buiten het broodje duwt, en dut alsnog in.

Wanneer ik een handje tegen mijn been voel, besef ik dat ham en mayonnaise een vlek op mijn pantalon hebben achtergelaten. De twee zijn op hun bestemming aangekomen; de vader neemt vriendelijk afscheid. Daantje niet, maar in het gangpad draait hij zich om en biedt mij de rest van het broodje aan, stevig in zijn knuistje gekneld.

 ~   ~   ~

 

 

27. Voorzichtig rijden

Bij auto- en motorcoureurs en wielrenners is van voorzichtig rijden geen sprake wanneer zij hun schouwspel uitvoeren. Risico’s nemen hoort er gewoon bij als je nummer één wil worden. Maar wanneer deze zelfde bestuurders zich in het normale verkeer mengen, moeten zij zich aanpassen, zowel in bebouwde kommen als op buitenwegen. In een naïeve stelling, vraag ik mij af wat voor ernstige ongelukken er kunnen gebeuren wanneer iedereen voorzichtig gaat rijden?

Op het internet circuleert een amusante verkeersopvoedkundige waarschuwing; jammer dat ik hem niet eerder in deze speciale week heb kunnen laten zien. Maar hij kan nog nét te pas komen ook voor de lezers die hem vanwege ons tijdverschil pas morgen zien,:

       RIJ VOORZICHTIG.

       Ú ZULT KOMENDE ZONDAG NIET WEDEROPSTAAN.

Een goede Paaszondag toegewenst!

26. Romeo en Isolde

Tussen de twee rijen palmbomen en perken met bloemen in honderd kleuren, loopt de lange toegangsweg tot aan de gastvrije voorgalerij van ons huis. Naast het voorhek, dat altijd open staat, vertelt een bord dat deze plaats Zonnehoek heet. Een vrolijke en toepasselijke naam, want zolang de zon schijnt, houden wij de luiken gesloten. Het huis staat aan een verkeersweg, waar lange rijen karren en vrachtauto’s een overdaad aan landbouwproducten vervoeren naar de niet ver weg gelegen zeehaven.

Het verkeersrumoer dringt niet door tot mijn speelruimte, achter in de tuin. Tussen de mimosa’s y beuken en struiken spelen we rovertje, krijgertje, verstoppertje, of we rennen achter een voetbal aan. Als ik alleen ben, nestel ik me vaak met een boek en een paar koekjes of vruchten op mijn favoriete plek, de zitplaats gevormd door de vertakkingen van een magnifieke magnolia. Daar, op zo’n vier meter hoogte, ben ik vanaf de begane grond niet te zien, wat een onbetaalbaar voordeel is, bijvoorbeeld wanneer mijn moeder mij roept voor wie weet wat voor onbenulligs.

In een open plek tussen de bomen staat een waterput onder een mooie smeedijzeren boog. Eén segment stelt een waterval voor, het andere vormt een kruik, met in het midden twee letters in elkaar gevlochten, een R en een I. Of het versleten touw en de vastgeroeste katrol er de reden of het gevolg van zijn dat het water lauw en vies is, weet niemand. Behalve Martha. Zij is ons buurmeisje, en ze heeft het me een keer in het geheim verteld:

Heel lang geleden woonden hier twee geliefden, die elkaar zielsveel beminden – veel meer dan Juliette ooit van Romeo kon hebben gehouden, of Tristan van Isolde. Elke middag ontmoetten zij elkaar bij de put. En elke middag dronken ze uit een aarden kruik het koele vocht, dat hun liefde deed groeien in een benijdenswaardige harmonie. Zij zouden vast en zeker een gelukkig echtpaar vormen.

De middag vóór hun bruiloft kwamen zij weer tezamen, zoals altijd. Maar die dag gebeurde er iets, het is nooit bekend geworden of het een gebaar is geweest, een gelaatsuitdrukking, een vraag, of de verkeerde interpretatie van een antwoord. Waarschijnlijk vanwege de zenuwen van het moment, leidde een woordenwisseling tot een discussie op steeds hoger toon. De spanning duurde niet langer dan een minuut, zij reageerden beiden tegelijkertijd om het goed te maken. Maar het kwaad was geschied, zij konden zich niet verzoenen, en van een huwelijk kwam dus niets. De waterput, de enige en onvrijwillige getuige, was zó geschokt door de onverwachte afloop dat zij zwoor, geen vers water meer te zullen aanvoeren, behalve wanneer zij aan haar zijde twee personen zou zien die net zoveel van elkaar hielden als dat ongelukkige paar.

Kortgeleden kwam Martha afscheid nemen, zij ging in een andere stad wonen. We stonden naast de put, en zij vroeg mij om water. Natuurlijk herinnerde ik haar eraan dat het ondrinkbaar was, maar zij schudde het hoofd en boog zich over de rand. Met dezelfde afwezige blik in haar ogen als toen ze mij het verhaal vertelde, wees ze naar beneden. Stomverbaasd over wat ik onderin meende te zien, gooide ik de emmer in de put. De katrol knerste en het touw leek te breken, maar zij brachten de last boven. Ik maakte van mijn handen een kom en voelde de weldadige koelte van doorschij­nend water. Toen ik Martha wou vragen hoe dat mogelijk kon zijn, zag ik haar weer in het oneindige kijken, en ineens drong het tot me door dat Martha meer bij ons kwam om mij dan om mijn zusje, en dat zich tussen ons die band aan het vormen was waarvan elk paar verliefden denkt dat hij uniek en onbreekbaar is – ook als zij pas negen jaar jong zijn en slechts een vaag besef hebben van het andere geslacht.

Onze tuinman haalde zijn schouders op, maar deed wat ik hem vroeg. Hij smeerde de katrol goed in en verwisselde het touw, maar hoeveel emmers ik ook ophijs, het putwater is weer modderig en lauw.

Martha heb ik nooit meer gezien.

*    *   *

25.Tangkoeban Prahoe, de “ware” legende

Als oud-bewoner van Nederlands-Indië ben ik me bewust van de nieuwe spelling, in het Indonesisch. In 2007 beklom ik de bekende berg Tangkuban Perahu, die ik zeventig jaar eerder al kende, maar als Tangkoeban Prahoe, in het Maleis. Deze naam lezen jullie nu dan ook omdat ik een gebeurtenis ga vertellen die dateert uit de tijd dat hij zo heette.

In tegenstelling tot mijn vorige post, Wraakneming van een Eiland, berust deze legende wél op het “ware” ontstaan van deze top.

+ – +

De Koningin dezer streken, Dajang Soembi, had een zoon, Sangkoeriang geheten; deze prins was door Indra en Brahma begiftigd met allerlei heldhaftige eigenschappen. Eenmaal twistten moeder en zoon, en de koningin trof de prins met een wapen op het hoofd en sloeg hem een wond. Toornig en treurig verliet Sangkoeriang de kraton, zwierf door heel Java en veroverde grote delen van het eiland.

Heimwee dreef hem terug naar het Westen; daar ontmoette hij een zeer schone vrouw die door haar echtgenoot was verstoten, en zij raakten op elkaar verliefd. Op een middag streelde de vrouw de jongere man over het hoofd, en ontdekte een litteken dat zij tot haar ontsteltenis herkende als dat van de wond die zij Sangkoeriang jaren geleden had toegebracht. Natuurlijk was zij te beschaamd om zich als zijn moeder bekend te maken. Maar het was duidelijk dat aan de romance een einde moest komen. Om het voorgenomen huwelijk te beletten, bedacht ze een list: zij eiste van Sangkoeriang als bewijs van zijn liefde, dat hij diezelfde nacht een dam zou bouwen waardoor de Tjitaroem de hoogvlakte van Bandoeng zou overstromen, en dat hij haar met een prauw zou komen bezoeken.

Sangkoeriang riep zijn goden te hulp; zij bouwden een prauw en legden een formidabele dam aan, die de loop van de rivier bedwong en de hoogvlakte liet onderlopen. Toen Dajang Soembi vanaf de top van de berg de prauw steeds meer zag stijgen, smeekte zij Brahma om hulp. Brahma wendde al zijn macht aan om de dam te ondermijnen, en nog voordat het water tot de verblijfplaats van Dajang Soembi was gekomen, begon het terug te stromen in de bedding. De prauw sloeg om en de bruid, van smart en spijt overstelpt, stortte zich in de vloed en verdronk samen met haar zoon-minnaar en de meevarenden. Door de woeste golven werd de prauw tegen de berg geslagen en bleef met de kiel omhoog op de top liggen.

 & & &

24. De Wraakneming van een Eiland

Langs de zuidelijke helling van de Tangkuban Perahu kronkelt de weg omhoog langs Lembang, een vriendelijk dorp, tot nu toe links gelaten door het toerisme. Er zijn een paar winkels, een aantal bungalows omgeven door grote tuinen, en een hotel dat, als ik het zou moeten beoordelen, een ster meer waard zou zijn dan het gebruikelijke maximum, mede om zijn fraaie ligging – die moet zijn uitgekozen door Benedictijnse monnikken.

Naar rechts glijdt het oog langs een kleurenpalet, over gouden rijstvelden, het rood en geel van wilde bloemen, twintig tinten van groen in de kininebossen en theeplantages, en het blauw van een prachtig meer, dat van hier slechts gedeeltelijk te zien is. Dat bruine lint dat verder naar beneden door Bandoeng stroomt, is de Tjikapoendoeng. Rondom vormen bergtoppen een bijna circulaire keten. Op deze zevenhonderd meter hoogte boven de zeespiegel vinden veel bewoners van de warme en vochtige kuststrook van Java voor hun weekeinden en vacanties een weldadig klimaat. Overdag is het warm, maar koele nachten zorgen voor een goede nachtrust.

Aan jeugdjaren in deze streek heb ik heel prettige herinneringen. Graag zou ik dan ook langs bekende plekjes wandelen, maar dat zal ik een volgende keer doen, want nu ben ik gekomen om de Kawah Ratu te bezoeken, de Konginnekrater. Het is de grootste van de negen die deze berg bezit, en ook de interessantste omdat kortgeleden – in 1971 – hier een uitbarsting heeft plaatsgehad. Ongevaarlijk want voorname­lijk modder, maar in de lucht zal altijd ook zwavel blijven hangen.

Vanaf mijn observatiepost kan ik Villa Isola niet zien, maar ik weet waar het staat, dat statige herenhuis waar ik als kind een keer de beklemming beleefde om naast een fysiek afwezig lijk te staan. Die ervaring heb ik jullie beschreven, nu wil ik mijn belofte van destijds inlossen, en ga jullie de geschiedenis van die berg vertellen.

In onheuglijke tijden was deze plaats een eilandje dat bijna geheel bestond uit een berg, omringd door dichte bossen en smalle, steil aflopende stranden. Er leefden slechts dieren, want grote niveauverschillen op de zeebodem veroorzaakten formidabele draai­kol­­ken die het vaartuigen onmogelijk maakte, naderbij te komen.

De legende wil dat de jonge Sri Palingmanis droomde dat zij rondliep in het Hof van Eden, en dat het dat eiland was. De volgende ochtend vroeg zij haar verloofde, haar daar naartoe te brengen. Effendi Tidatakoet was een ervaren visser en kende geen angst, maar dat waagstuk was nooit in hem opgekomen; het eiland werd immers beschouwd als een taboe. Maar de wens die Sri voelde, was onbedwingbaar, en op de weifeling van haar geliefde reageerde ze door aan te kondigen dat ze desnoods alléén zou gaan. Het had geen enkele zin om zich aan die gevaren bloot te stellen, maar uiteindelijk stemde Effendie toe, want hij wist dit Sri in staat zou zijn om inderdaad zelf op pad te gaan, en dat zij van die hachelijke onderneming niet terug zou komen.

Ze vertrokken in het diepste geheim, want wie te weten zou komen wat zij van plan waren, zou hun dat tegen elke prijs beletten. Na een moeizame overtocht, die bijna de hele dag duurde en waarbij zelfs een keer hun vaartuigje bijna kapseisde, begonnen ze de kracht te merken van verraderlijke draaikolken, en ze voelden de dreiging van onzichtbare rotspunten. Vermoeidheid en angst deden zich steeds meer gelden maar juist nu, in het zicht van hun eind­doel, wilden ze de strijd niet opgeven. Ze deden nog een laatste dappere poging, en toen zelfs Sri eindelijk, tegen haar zin in, moest toegeven dat het hun teveel werd, stak de Grote Gids hun een helpende hand toe. De harde wind nam af, de stromingen werden zwakker en ineens waren ze de gevaarlijke branding gepasseerd.

Uitgeput maar zielsgelukkig sprongen ze de boot uit en vielen elkaar op het warme strand in de armen. Maar een seconde later zaten ze rechtop. Een trilling in de grond waarschuwde hen dat er iets op til was, en dat het niet veel goeds zou zijn, alhoewel de heldere hemel geen stormsignaalen gaf.

Het was het begin van een siddering die het binnenste vn de aarde uit elkaar scheurde. Het eiland, kokend van woede om door een paar onbeduidende mensjes te zijn vernederd, ontgrendelde haar vulkaan in een zelfmoord uitbarsting. Een paddestoel van vuur en as verduisterde de zon, een schokgolf duwde het water over het hele eiland tot aan de horizon, en gloeiende lava verschroeide de bossen en de stranden in een minimum van tijd. De top van de berg zakte in elkaar en werd bedekt door  de ondersteboven gewentelde boot van Effendie.

Eeuwen later daalde het zeeniveau, en meer eilandjes kwamen boven water, samen het gebied vormend dat nu Java heet. De eerste bewoners die de door de lava vruchtbaar geworden grond bewerkten, doopten de afgeplatte top van de berg Tangkuban Perahu, Omgekeerde Boot. Wanneer ik hier terugkom om te gaan genieten van een verdiende vacantie, zal ik een denksteen laten aanleggen voor die onfortuinlijke minnaars, wiens namen in het Maleis De Liefste en De Onversaagde betekenen. Zij trotseerden de natuur, maar hun drijfveer was niet overmoed, doch een mandaat van liefde.

* * *

Naschrift: Dit is niet de ware legende van de Tangkuban Perahu; die kan iedereen op youtube lezen. Ik geef de voorkeur aan mijn privé geschiedschrijver.  🙂

.-

 

 

 

 

23. De Arabische Beschaving

In commentaren op een vorige post kwam onder andere de Arabische civilisatie ter sprake; graag wil ik hier iets daarover vertellen dat ik recentelijk te weten ben gekomen. Het is weinig, en ik heb me er niet in verdiept, want voorlopig heb ik hier de handen vol aan.

Van circa 800 tot 1100 n.C. was Bagdad, Irak, de intellectuele hoofdstad van de wereld. Daar stond men open voor elke denkbare stroming, er ontstond een eindeloze en vruchtbare uitwisseling van ideeën, die een onstuitbare vooruitgang ten gevolge had van de wetenschappen. Technologie, biologie, medicijnen, wiskunde, scheikunde, sterrenkunde, scheepvaart, handel, textiel, kleurstoffen, het recht van naamgeving, getallenleer (verspreiding en toepassing van de nul). Algebra,  algorithme, alcohol, benzine, zijn bekende Arabische woorden. Tweederde van de sterren aan het firmament hebben Arabische namen. Let wel, deze heerschappij berustte niet op duizendenjarige tradities, maar heeft slechts driehonderd jaar geduurd.

Aan de bloei gedurende deze periode is een relatief versneld einde gekomen, uiteraard als gevolg van diverse factoren, waarvan ik hier slechts één noem: godsdienstige openbaringen namen de plaats in van wetenschappelijk onderzoek. Sindsdien is de Mohammedaanse samenleving achtergebleven, en zij heeft zich van die instorting niet hersteld.  Met de ontdekkingen van Copernicus en Galileo, die zich baseerden op de observatie van onweerlegbare feiten, nam de Westerse wereld de leiding over en heeft de wetenschap sterker dan ooit gemaakt.

Wanneer we de toekenning van Nobelprijzen als een maatstaf nemen voor de activiteit van intellectuele groepen zoals bijvoorbeeld de Moslims en de Joden, kunnen we een vergelijking maken. Hoeveel Mohammedanen hebben een Nobelprijs ontvangen? Zeven, acht. Daarentegen  zijn meer dan 170 toegekend aan Joden. Hoeveel Moslims zijn er? Anderhalf miljard. Hoe groot is de Joodse bevolking? Niet meer dan 15 miljoen. De volkomen scheve verhouding is in één oogopslag duidelijk. Als de godsdienstige invloed van filosofen zoals Abu Hamid Al-Ghazali de hoge Islamitische standaard niet omlaag had gehaald, zouden Mohammedanen onnoemlijk veel meer Nobelprijzen hebben geïncasseerd.

Op YouTube zijn video’s te zien van wetenschappers die beschikken over wagonladingen kennis, en bovendien over het vermogen om deze uit te dragen op een bijzonder plezierige en didactische manier. De wijsheid hierboven heb ik grotendeels opgetekend uit een voordracht van de Amerikaans astrofysicus Neil DeGrasse Tyson, die naar mijn mening uitmunt in het voorbeeldig duidelijk naar voren brengen van zijn denkwijze en opvattingen.

.-